wilgen

Rondom de weide hebben we zo’n 25 knotwilgen staan. De wilgen hebben we allemaal zelf geplant, met ‘wilgenpoten’. We hebben na vijf jaar onze wilgen voor het eerst gesnoeid.

Op deze pagina vind je informatie over hoe je wilgen kan planten. Gemakkelijk, mooi in het landschap en ook goedkoop, en na enkele jaren heb je al een serieuze boom!

Het planten van wilgen is vrij eenvoudig: neem een zo recht mogelijke tak van een bestaande gezonde knotwilg en ontdoe die van alle zijtakken. Je kan al een behoorlijke dikke tak nemen, bv. zo’n 10cm diameter, zo heb je al meteen een redelijke boom. De lengte van de wilgentak is best ruim drie meter lang.


Je zaagt de tak pas op de juiste lengte nadat hij geplant is, zo ben je zeker dat al je wilgenpoten na planten even lang zijn.
Probeer zeker te zijn dat de wilgenpoten van gezonde wilgen komen. Heel wat wilgen in Vlaanderen zijn aangetast door de watermerkziekte.
Aan de onderkant van de wilgenpoten doe je 2 of 3 stroken van de bast af. Zo kunnen de wilgenpoten makkelijker water opnemen. Je kan dit makkelijk doen met een hakbijl.

   

Je kiest waar je de boom zal planten. Hou zeker een paar meter plantafstand tussen de bomen. De wilgenpoten zijn nu nog kaal, maar na enkele jaren hebben ze een behoorlijke kruin! Als ze te dicht bij elkaar staan, kunnen ze niet mooi uitgroeien.

Maak een put van 60 tot 70 cm diep, met de spade, of met een paaltjesboor. Maak de put niet te breed, zodat de wilgenpoot niet te los komt te staan. Plaats de wilgenpoot in de put en stamp de aarde rond de wilgenpoot goed aan, zodat er geen luchtgaten in de aarde zijn. Geef eventueel water.

   

Daarna zaag je de wilgenpoot op de gewenste hoogte. Zo ben je zeker zijn dat al je wilgen even hoog zijn. Wij hebben de wilgen gezaagd op 2m hoogte. Dus een bovengronds gedeelte van 2 meter en een ondergronds gedeelte van 60 à 70 cm.

 

Probeer het snoeivlak scheef te maken, zodat er geen water kan blijven opstaan. Wij proberen ook altijd om het snoeivlak naar het noorden/oosten te richten, zodat het geen slagregen vangt bij westenstorm.
Gebruik wanneer je snoeit best een ladder, zo krijg je het afgezaagde stuk zeker niet op je hoofd …
Omdat op het ezelhof de wilgen in de weide staan, moeten we de wilgen afschermen van de ezels en de schapen. Dit doen we met drie palen en daarrond “Bekaertdraad”.
De bovenkant van de drie palen kan je aan elkaar bevestigen met een latje, zodat de palen mooi recht blijven staan wanneer je de draad errond spant (en wanneer de beestjes er zich eventueel tegen gaan schuren).


Het planten van de wilgenpoten moet gebeuren in de rustperiode van de boom (november – februari) en niet in periodes van vorst of sneeuwval (het is bovendien ook veel leuker op een zonnige rustige winterdag!).
In de lente verschijnen over de hele lengte van de stam bladknoppen: de knoppen onderaan de boom kan je makkelijk afknijpen wanneer ze nog klein zijn. Zo laat je alleen de bovenste takken groeien.


De eerste jaren is het dan ook belangrijk om de kruin wat uit te dunnen (snoeiwerk in de winter): te dicht bij elkaar groeiende takken zouden elkaar teveel verdringen. Om de 5 à 6 jaar kan de wilg dan helemaal “geknot” worden.
De dikke takken houden we voor de houtstoof, de fijne takjes zijn voor de beestjes. De beestjes krijgen in de winter elke dag een portie wilgentakken om te knabbelen en ze zijn er verzot op. Het houdt hen bezig (verveling tegengaan) en is goed voor hun darmtransit, als tegengewicht voor al het droogvoer dat ze in de winter krijgen. De fijne takjes eten ze volledig op, bij de dikkere takken pellen ze de schors eraf tot op het hardhout. Wanneer we zelf geen snoeisel van wilgen hebben, geven we snoeisel van de populieren, of snoeisel van wilgen van in de buurt.
In wilgenbast zit ook een beetje salicine, dat een aspirineachtige werking heeft.

 

 

ezels wilgen

ezels even bij het wilgensnoeisel gelaten

 ezel wilgen knabbelen